gelden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gelden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gelden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: geldend
Past participle - Verleden deelwoord: gegolden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgeld
jijgeldt
hijgeldt
wijgelden
julliegelden
zijgelden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegolden
jijhebt gegolden
hijheeft gegolden
wijhebben gegolden
julliehebben gegolden
zijhebben gegolden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgold
jijgold
hijgold
wijgolden
julliegolden
zijgolden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegolden
jijhad gegolden
hijhad gegolden
wijhadden gegolden
julliehadden gegolden
zijhadden gegolden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gelden
jijzult gelden
hijzal gelden
wijzullen gelden
julliezullen gelden
zijzullen gelden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegolden hebben
jijzult gegolden hebben
hijzal gegolden hebben
wijzullen gegolden hebben
julliezullen gegolden hebben
zijzullen gegolden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gelden
jijzou gelden
hijzou gelden
wijzouden gelden
julliezouden gelden
zijzouden gelden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegolden hebben
jijzou gegolden hebben
hijzou gegolden hebben
wijzouden gegolden hebben
julliezouden gegolden hebben
zijzouden gegolden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgeld

Translations

  • apply, to be relevant to a specified individual
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aangaan
    betreffen

    Antonyms

    aangaan
    uitgaan, doven

    Sample Sentences

    • [...] de weduwe al mijne avonturen, mijne vlugt; hoe ik den Portugeschen kapitein op zee ontmoet had; hoe menschlievend hij zich gedragen had, en wijders alle aanwijzingen omtrent de overzending mijner gelden. Toen de brave kapitein te Lissabon kwam, vond hij gelegenheid dit door eenige Engelsche kooplieden aldaar, te doen toekomen aan een koopman te Londen; waarop zij niet alleen het geld gaf, maar [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch gelden, from Old Dutch *geldan, from Proto-West Germanic *geldan, from Proto-Germanic *geldaną, from Proto-Indo-European *gʰeldʰ- (“to pay”). See: Proto-Germanic '*geldaną'.

    Verbs referencing "gelden"

    English yield, German, old spelling gelten, Old High German geltan, Faroese gjalda, Icelandic gjalda, Luxembourgish gëllen, Low Saxon gellen.

    Additional Information