delen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of delen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: delen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: delend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeeld

Cognates

See the 5 cognates of delen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeel
jijdeelt
hijdeelt
wijdelen
julliedelen
zijdelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeeld
jijhebt gedeeld
hijheeft gedeeld
wijhebben gedeeld
julliehebben gedeeld
zijhebben gedeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeelde
jijdeelde
hijdeelde
wijdeelden
julliedeelden
zijdeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeeld
jijhad gedeeld
hijhad gedeeld
wijhadden gedeeld
julliehadden gedeeld
zijhadden gedeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal delen
jijzult delen
hijzal delen
wijzullen delen
julliezullen delen
zijzullen delen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeeld hebben
jijzult gedeeld hebben
hijzal gedeeld hebben
wijzullen gedeeld hebben
julliezullen gedeeld hebben
zijzullen gedeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou delen
jijzou delen
hijzou delen
wijzouden delen
julliezouden delen
zijzouden delen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeeld hebben
jijzou gedeeld hebben
hijzou gedeeld hebben
wijzouden gedeeld hebben
julliezouden gedeeld hebben
zijzouden gedeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeel

Translations

  • deal, to distribute (cards)
  • divide, divide up; share by dividing
  • divide, calculate quotient
  • impart, to give a part or share
  • share, to give
  • share, to divide and distribute
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opdelen
    splitsen
    geven
    verdelen
    deelnemen
    meedoen
    instemmen
    meevoelen

    Sample Sentences

    • [...] en twintig graanhalmen waren, en nu achtte ik het, na het regenachtig jaargetij, de geschikte tijd dit te zaaijen. Ik spitte dus eene plek grond om, zoo goed ik kon, met mijne houten spade, en deelde die in twee deelen af om mijn graan te zaaijen; maar terwijl ik dit deed bedacht ik toevallig, dat ik beter zou doen het niet alles te gelijk te zaaijen, omdat ik niet wist of het de geschikte tijd [...] (Robinson Crusoe)
    • In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf eene pistool en ook [...] (Robinson Crusoe)
    • Toen de kapitein bij mij kwam, deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch dêlen, from Old Dutch dēlen, from Proto-Germanic *dailijaną. Cognate with English deal. See: Proto-Germanic '*dailijaną', English 'deal'.

    Verbs referencing "delen"

    English deal, Luxembourgish deelen.

    Additional Information