schenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schendend
Past participle - Verleden deelwoord: geschonden

Cognates

See the 5 cognates of schenden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschend
jijschendt
hijschendt
wijschenden
jullieschenden
zijschenden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschonden
jijhebt geschonden
hijheeft geschonden
wijhebben geschonden
julliehebben geschonden
zijhebben geschonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschond
jijschond
hijschond
wijschonden
jullieschonden
zijschonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschonden
jijhad geschonden
hijhad geschonden
wijhadden geschonden
julliehadden geschonden
zijhadden geschonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schenden
jijzult schenden
hijzal schenden
wijzullen schenden
julliezullen schenden
zijzullen schenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschonden hebben
jijzult geschonden hebben
hijzal geschonden hebben
wijzullen geschonden hebben
julliezullen geschonden hebben
zijzullen geschonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schenden
jijzou schenden
hijzou schenden
wijzouden schenden
julliezouden schenden
zijzouden schenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschonden hebben
jijzou geschonden hebben
hijzou geschonden hebben
wijzouden geschonden hebben
julliezouden geschonden hebben
zijzouden geschonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschend

Translations

  • abuse, to rape
  • deface, to damage
  • infringe, to break or violate a treaty, a law, a right etc.
  • rape, cause damage, destruction to a countryside, nature etc
  • violate, to rape
  • violate, to break or fail to act by rules
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aantasten
    beschadigen, toetakelen, vernielen
    onteren
    ontheiligen, ontwijden
    overtreden
    verbreken

    Sample Sentences

    • De wapenstilstand werd na twee dagen geschonden. (The ceasefire was violated after two days.)

    Etymology

    From Middle Dutch schenden, from Old Dutch *skenden, from Proto-West Germanic *skandijan. Equivalent to schande (“shame, disgrace”) + -en (“denominative”) and shows the effect of historical umlaut.

    Verbs referencing "schenden"

    English shend, Swedish skända.

    Additional Information