inzenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inzenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inzenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inzendend
Past participle - Verleden deelwoord: ingezonden

Cognates

See the 2 cognates of inzenden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzend in
jijzendt in
hijzendt in
wijzenden in
julliezenden in
zijzenden in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingezonden
jijhebt ingezonden
hijheeft ingezonden
wijhebben ingezonden
julliehebben ingezonden
zijhebben ingezonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzond in
jijzond in
hijzond in
wijzonden in
julliezonden in
zijzonden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingezonden
jijhad ingezonden
hijhad ingezonden
wijhadden ingezonden
julliehadden ingezonden
zijhadden ingezonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inzenden
jijzult inzenden
hijzal inzenden
wijzullen inzenden
julliezullen inzenden
zijzullen inzenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingezonden hebben
jijzult ingezonden hebben
hijzal ingezonden hebben
wijzullen ingezonden hebben
julliezullen ingezonden hebben
zijzullen ingezonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inzenden
jijzou inzenden
hijzou inzenden
wijzouden inzenden
julliezouden inzenden
zijzouden inzenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingezonden hebben
jijzou ingezonden hebben
hijzou ingezonden hebben
wijzouden ingezonden hebben
julliezouden ingezonden hebben
zijzouden ingezonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzend in

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

indienen
insturen

Sample Sentences

Etymology

From in + zenden.

Verbs referencing "inzenden"

English insend.

Additional Information