schelden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schelden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schelden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scheldend
Past participle - Verleden deelwoord: gescholden

Cognates

See the 5 cognates of schelden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscheld
jijscheldt
hijscheldt
wijschelden
jullieschelden
zijschelden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gescholden
jijhebt gescholden
hijheeft gescholden
wijhebben gescholden
julliehebben gescholden
zijhebben gescholden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschold
jijschold
hijschold
wijscholden
julliescholden
zijscholden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gescholden
jijhad gescholden
hijhad gescholden
wijhadden gescholden
julliehadden gescholden
zijhadden gescholden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schelden
jijzult schelden
hijzal schelden
wijzullen schelden
julliezullen schelden
zijzullen schelden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gescholden hebben
jijzult gescholden hebben
hijzal gescholden hebben
wijzullen gescholden hebben
julliezullen gescholden hebben
zijzullen gescholden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schelden
jijzou schelden
hijzou schelden
wijzouden schelden
julliezouden schelden
zijzouden schelden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gescholden hebben
jijzou gescholden hebben
hijzou gescholden hebben
wijzouden gescholden hebben
julliezouden gescholden hebben
zijzouden gescholden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscheld

Translations

  • criminate, rebuke
  • inveigh, to [[complain]] loudly, to give voice to one's censure or criticism {{m|en|against
  • scold, rebuke
  • scuffle, to fight or struggle confusedly at close quarters
  • swear, to curse, to use offensive language
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    foeteren
    tekeergaan, tieren, uitvaren
    uitfoeteren
    uitmaken, uitschelden

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch schelden, from Old Dutch skeldan, from Proto-Germanic *skeldaną. See: Proto-Germanic '*skeldaną'.

    Verbs referencing "schelden"

    English scold.

    Additional Information