misgelden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of misgelden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: misgelden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: misgeldend
Past participle - Verleden deelwoord: misgolden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmisgeld
jijmisgeldt
hijmisgeldt
wijmisgelden
julliemisgelden
zijmisgelden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb misgolden
jijhebt misgolden
hijheeft misgolden
wijhebben misgolden
julliehebben misgolden
zijhebben misgolden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmisgold
jijmisgold
hijmisgold
wijmisgolden
julliemisgolden
zijmisgolden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad misgolden
jijhad misgolden
hijhad misgolden
wijhadden misgolden
julliehadden misgolden
zijhadden misgolden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal misgelden
jijzult misgelden
hijzal misgelden
wijzullen misgelden
julliezullen misgelden
zijzullen misgelden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal misgolden hebben
jijzult misgolden hebben
hijzal misgolden hebben
wijzullen misgolden hebben
julliezullen misgolden hebben
zijzullen misgolden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou misgelden
jijzou misgelden
hijzou misgelden
wijzouden misgelden
julliezouden misgelden
zijzouden misgelden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou misgolden hebben
jijzou misgolden hebben
hijzou misgolden hebben
wijzouden misgolden hebben
julliezouden misgolden hebben
zijzouden misgolden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmisgeld

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information