Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: uitzenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitzendend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgezonden
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | zend uit |
| jij | zendt uit |
| hij | zendt uit |
| wij | zenden uit |
| jullie | zenden uit |
| zij | zenden uit |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb uitgezonden |
| jij | hebt uitgezonden |
| hij | heeft uitgezonden |
| wij | hebben uitgezonden |
| jullie | hebben uitgezonden |
| zij | hebben uitgezonden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | zond uit |
| jij | zond uit |
| hij | zond uit |
| wij | zonden uit |
| jullie | zonden uit |
| zij | zonden uit |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had uitgezonden |
| jij | had uitgezonden |
| hij | had uitgezonden |
| wij | hadden uitgezonden |
| jullie | hadden uitgezonden |
| zij | hadden uitgezonden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal uitzenden |
| jij | zult uitzenden |
| hij | zal uitzenden |
| wij | zullen uitzenden |
| jullie | zullen uitzenden |
| zij | zullen uitzenden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal uitgezonden hebben |
| jij | zult uitgezonden hebben |
| hij | zal uitgezonden hebben |
| wij | zullen uitgezonden hebben |
| jullie | zullen uitgezonden hebben |
| zij | zullen uitgezonden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou uitzenden |
| jij | zou uitzenden |
| hij | zou uitzenden |
| wij | zouden uitzenden |
| jullie | zouden uitzenden |
| zij | zouden uitzenden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou uitgezonden hebben |
| jij | zou uitgezonden hebben |
| hij | zou uitgezonden hebben |
| wij | zouden uitgezonden hebben |
| jullie | zouden uitgezonden hebben |
| zij | zouden uitgezonden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'uitzenden'
aanzenden,
achternazenden,
afschenken,
bergen,
gelden,
inschenken,
inzenden,
kwijtschelden,
misgelden,
nazenden,
opbergen,
schelden,
schenden,
schenken,
uitzenden,
verbergen,
vergelden,
verzenden,
verzwelgen,
zenden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'uitzenden'
inzenden,
uitdenken,
uitvinden,
uitzetten,
aanzenden,
nazenden,
uitbreiden,
uitdelen,
uitgeven,
uithouden,
Translations
air, to broadcast
broadcast, to transmit a message or signal through radio waves or electronic means
emit, to send out or give off
transmit, to send out a signal
Sample Sentences
-
[...] gelaten. Eensklaps riep de jongen: " Meester, meester, een schip, een zeil ! " De arme jongen bestierf het schier van angst, denkende, dat het niet anders zijn kon dan een van zijn meesters schepen, uitgezonden om ons te vervolgen. Ik echter wist wel, dat wij ver genoeg buiten zijn bereik waren. Ik sprong uit de kajuit, en zag niet alleen dadelijk het schip, maar ook wat het was; namelijk een Portugeesch [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] in Gods bescherming te bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen, en begon met mijn kijker naar hen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
Compound of uit + zenden.
Verbs referencing "uitzenden"
English
outsend.
Additional Information