inschenken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inschenken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inschenken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inschenkend
Past participle - Verleden deelwoord: ingeschonken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschenk in
jijschenkt in
hijschenkt in
wijschenken in
jullieschenken in
zijschenken in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingeschonken
jijhebt ingeschonken
hijheeft ingeschonken
wijhebben ingeschonken
julliehebben ingeschonken
zijhebben ingeschonken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschonk in
jijschonk in
hijschonk in
wijschonken in
jullieschonken in
zijschonken in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingeschonken
jijhad ingeschonken
hijhad ingeschonken
wijhadden ingeschonken
julliehadden ingeschonken
zijhadden ingeschonken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inschenken
jijzult inschenken
hijzal inschenken
wijzullen inschenken
julliezullen inschenken
zijzullen inschenken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingeschonken hebben
jijzult ingeschonken hebben
hijzal ingeschonken hebben
wijzullen ingeschonken hebben
julliezullen ingeschonken hebben
zijzullen ingeschonken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inschenken
jijzou inschenken
hijzou inschenken
wijzouden inschenken
julliezouden inschenken
zijzouden inschenken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingeschonken hebben
jijzou ingeschonken hebben
hijzou ingeschonken hebben
wijzouden ingeschonken hebben
julliezouden ingeschonken hebben
zijzouden ingeschonken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschenk in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From in + schenken.

Additional Information