aanzenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanzenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanzenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanzendend
Past participle - Verleden deelwoord: aangezonden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzend aan
jijzendt aan
hijzendt aan
wijzenden aan
julliezenden aan
zijzenden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangezonden
jijhebt aangezonden
hijheeft aangezonden
wijhebben aangezonden
julliehebben aangezonden
zijhebben aangezonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzond aan
jijzond aan
hijzond aan
wijzonden aan
julliezonden aan
zijzonden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangezonden
jijhad aangezonden
hijhad aangezonden
wijhadden aangezonden
julliehadden aangezonden
zijhadden aangezonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanzenden
jijzult aanzenden
hijzal aanzenden
wijzullen aanzenden
julliezullen aanzenden
zijzullen aanzenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangezonden hebben
jijzult aangezonden hebben
hijzal aangezonden hebben
wijzullen aangezonden hebben
julliezullen aangezonden hebben
zijzullen aangezonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanzenden
jijzou aanzenden
hijzou aanzenden
wijzouden aanzenden
julliezouden aanzenden
zijzouden aanzenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangezonden hebben
jijzou aangezonden hebben
hijzou aangezonden hebben
wijzouden aangezonden hebben
julliezouden aangezonden hebben
zijzouden aangezonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzend aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information