beschadigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beschadigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beschadigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beschadigend
Past participle - Verleden deelwoord: beschadigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeschadig
jijbeschadigt
hijbeschadigt
wijbeschadigen
julliebeschadigen
zijbeschadigen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beschadigd
jijhebt beschadigd
hijheeft beschadigd
wijhebben beschadigd
julliehebben beschadigd
zijhebben beschadigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeschadigde
jijbeschadigde
hijbeschadigde
wijbeschadigden
julliebeschadigden
zijbeschadigden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beschadigd
jijhad beschadigd
hijhad beschadigd
wijhadden beschadigd
julliehadden beschadigd
zijhadden beschadigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beschadigen
jijzult beschadigen
hijzal beschadigen
wijzullen beschadigen
julliezullen beschadigen
zijzullen beschadigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beschadigd hebben
jijzult beschadigd hebben
hijzal beschadigd hebben
wijzullen beschadigd hebben
julliezullen beschadigd hebben
zijzullen beschadigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beschadigen
jijzou beschadigen
hijzou beschadigen
wijzouden beschadigen
julliezouden beschadigen
zijzouden beschadigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beschadigd hebben
jijzou beschadigd hebben
hijzou beschadigd hebben
wijzouden beschadigd hebben
julliezouden beschadigd hebben
zijzouden beschadigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeschadig

Translations

  • damage, to make something less intact or even destroy it; to harm or cause destruction
  • harm, cause damage
  • impair, have a diminishing effect on
  • mar, to spoil, to damage
  • wreck, to cause severe damage
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aantasten
    aanvreten, bederven, ondermijnen
    schenden
    aantasten, toetakelen, vernielen

    Antonyms

    schenden
    eerbiedigen, eren

    Sample Sentences

    • [...] hopen konden het weder vlot te krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was twijfelachtig. Er [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] dat het van achteren hoog op de bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en at die op, terwijl [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch beschadigen, replacing older beschaden. Equivalent to schade + be- -igen.

    Additional Information