Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: beschadigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beschadigend
Past participle - Verleden deelwoord: beschadigd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | beschadig |
| jij | beschadigt |
| hij | beschadigt |
| wij | beschadigen |
| jullie | beschadigen |
| zij | beschadigen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb beschadigd |
| jij | hebt beschadigd |
| hij | heeft beschadigd |
| wij | hebben beschadigd |
| jullie | hebben beschadigd |
| zij | hebben beschadigd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | beschadigde |
| jij | beschadigde |
| hij | beschadigde |
| wij | beschadigden |
| jullie | beschadigden |
| zij | beschadigden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had beschadigd |
| jij | had beschadigd |
| hij | had beschadigd |
| wij | hadden beschadigd |
| jullie | hadden beschadigd |
| zij | hadden beschadigd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal beschadigen |
| jij | zult beschadigen |
| hij | zal beschadigen |
| wij | zullen beschadigen |
| jullie | zullen beschadigen |
| zij | zullen beschadigen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal beschadigd hebben |
| jij | zult beschadigd hebben |
| hij | zal beschadigd hebben |
| wij | zullen beschadigd hebben |
| jullie | zullen beschadigd hebben |
| zij | zullen beschadigd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou beschadigen |
| jij | zou beschadigen |
| hij | zou beschadigen |
| wij | zouden beschadigen |
| jullie | zouden beschadigen |
| zij | zouden beschadigen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou beschadigd hebben |
| jij | zou beschadigd hebben |
| hij | zou beschadigd hebben |
| wij | zouden beschadigd hebben |
| jullie | zouden beschadigd hebben |
| zij | zouden beschadigd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'beschadigen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'beschadigen'
beschuldigen,
begenadigen,
beschaven,
bespoedigen,
beëindigen,
beledigen,
bemoedigen,
beschermen,
beschikken,
beschilderen,
Translations
damage, to make something less intact or even destroy it; to harm or cause destruction
harm, cause damage
impair, have a diminishing effect on
mar, to spoil, to damage
wreck, to cause severe damage
Sample Sentences
-
[...] hopen konden het weder vlot te krijgen, en wij moesten slechts denken, het lijf er af te brengen. Wij hadden de boot aan den spiegel hangen toen de storm begon, maar zij was eerst tegen het roer beschadigd en vervolgens door de zeeën verbrijzeld of weggeslagen; in een woord deze was voor ons verloren. Wij hadden nog wel eene boot op het dek, maar of wij die in zee konden brengen was twijfelachtig. Er [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] dat het van achteren hoog op de bank, en met den kop bijkans in het water lag; hierdoor was het geheele achterschip heel, en al wat daar was, droog gebleven. Mijne eerste zorg was te onderzoeken wat beschadigd en wat goed gebleven was, gelijk men wel gelooven zal. Ik vond, dat al de provisie droog en goed gebleven was, en daar ik uitgehongerd was, vulde ik mijne zakken met beschuit, en at die op, terwijl [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch beschadigen, replacing older beschaden. Equivalent to schade + be- -igen.
Additional Information