Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: scheuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scheurend
Past participle - Verleden deelwoord: gescheurd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | scheur |
| jij | scheurt |
| hij | scheurt |
| wij | scheuren |
| jullie | scheuren |
| zij | scheuren |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gescheurd |
| jij | hebt gescheurd |
| hij | heeft gescheurd |
| wij | hebben gescheurd |
| jullie | hebben gescheurd |
| zij | hebben gescheurd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | scheurde |
| jij | scheurde |
| hij | scheurde |
| wij | scheurden |
| jullie | scheurden |
| zij | scheurden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gescheurd |
| jij | had gescheurd |
| hij | had gescheurd |
| wij | hadden gescheurd |
| jullie | hadden gescheurd |
| zij | hadden gescheurd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal scheuren |
| jij | zult scheuren |
| hij | zal scheuren |
| wij | zullen scheuren |
| jullie | zullen scheuren |
| zij | zullen scheuren |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gescheurd hebben |
| jij | zult gescheurd hebben |
| hij | zal gescheurd hebben |
| wij | zullen gescheurd hebben |
| jullie | zullen gescheurd hebben |
| zij | zullen gescheurd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou scheuren |
| jij | zou scheuren |
| hij | zou scheuren |
| wij | zouden scheuren |
| jullie | zouden scheuren |
| zij | zouden scheuren |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gescheurd hebben |
| jij | zou gescheurd hebben |
| hij | zou gescheurd hebben |
| wij | zouden gescheurd hebben |
| jullie | zouden gescheurd hebben |
| zij | zouden gescheurd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'scheuren'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'scheuren'
scheren,
scharen,
scheiden,
schelden,
schelen,
schellen,
schemeren,
schenden,
schenken,
scheppen,
Translations
rend, rend
tear, rend
tear, move at excessive speed
rip, to divide or separate the parts of
Sample Sentences
-
[...] hunne ankers hadden laten glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende, dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat er van mij geworden was; [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] leven, en zoo ik bij toeval mij van een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als een beest vaneen scheuren.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch schōren, from Proto-Germanic *skurō (“incision; tear; rift”), which is related to *skeraną (“to cut”). By surface analysis, scheur + -en. See also English score, Old Norse skor (“to tear”). See: English '
score'.
Verbs referencing "scheuren"
Papiamento
sker, Alemannic German
schore.
Additional Information