scheuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of scheuren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: scheuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scheurend
Past participle - Verleden deelwoord: gescheurd

Cognates

See the 5 cognates of scheuren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikscheur
jijscheurt
hijscheurt
wijscheuren
julliescheuren
zijscheuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gescheurd
jijhebt gescheurd
hijheeft gescheurd
wijhebben gescheurd
julliehebben gescheurd
zijhebben gescheurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikscheurde
jijscheurde
hijscheurde
wijscheurden
julliescheurden
zijscheurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gescheurd
jijhad gescheurd
hijhad gescheurd
wijhadden gescheurd
julliehadden gescheurd
zijhadden gescheurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal scheuren
jijzult scheuren
hijzal scheuren
wijzullen scheuren
julliezullen scheuren
zijzullen scheuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gescheurd hebben
jijzult gescheurd hebben
hijzal gescheurd hebben
wijzullen gescheurd hebben
julliezullen gescheurd hebben
zijzullen gescheurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou scheuren
jijzou scheuren
hijzou scheuren
wijzouden scheuren
julliezouden scheuren
zijzouden scheuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gescheurd hebben
jijzou gescheurd hebben
hijzou gescheurd hebben
wijzouden gescheurd hebben
julliezouden gescheurd hebben
zijzouden gescheurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijscheur

Translations

  • rend, rend
  • tear, rend
  • tear, move at excessive speed
  • rip, to divide or separate the parts of
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    stuktrekken
    verscheuren
    losrukken
    rijten, rukken
    openhalen
    openscheuren
    jakkeren
    racen

    Sample Sentences

    • [...] hunne ankers hadden laten glippen en naar zee gingen, terwijl zij digt langs ons heen liepen. Hij gaf last een noodschot te doen. Ik, die niet wist wat dit beteekende, dacht dat het schip in tweeën scheurde, of iets dergelijks; kortom ik ontstelde zoo, dat ik in flaauwte viel. Iedereen had thans genoeg aan zijn eigen leven te denken, niemand zag naar mij om, of dacht er aan wat er van mij geworden was; [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] leven, en zoo ik bij toeval mij van een geit of een visch meester had gemaakt, hoe ik die niet had kunnen afhalen, maar met mijne tanden het vleesch van de beenen afknagen en als een beest vaneen scheuren. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch schōren, from Proto-Germanic *skurō (“incision; tear; rift”), which is related to *skeraną (“to cut”). By surface analysis, scheur + -en. See also English score, Old Norse skor (“to tear”). See: English 'score'.

    Verbs referencing "scheuren"

    Papiamento sker, Alemannic German schore.

    Additional Information