uitzetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitzetten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitzetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitzettend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgezet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzet uit
jijzet uit
hijzet uit
wijzetten uit
julliezetten uit
zijzetten uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgezet
jijhebt uitgezet
hijheeft uitgezet
wijhebben uitgezet
julliehebben uitgezet
zijhebben uitgezet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzette uit
jijzette uit
hijzette uit
wijzetten uit
julliezetten uit
zijzetten uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgezet
jijhad uitgezet
hijhad uitgezet
wijhadden uitgezet
julliehadden uitgezet
zijhadden uitgezet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitzetten
jijzult uitzetten
hijzal uitzetten
wijzullen uitzetten
julliezullen uitzetten
zijzullen uitzetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgezet hebben
jijzult uitgezet hebben
hijzal uitgezet hebben
wijzullen uitgezet hebben
julliezullen uitgezet hebben
zijzullen uitgezet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitzetten
jijzou uitzetten
hijzou uitzetten
wijzouden uitzetten
julliezouden uitzetten
zijzouden uitzetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgezet hebben
jijzou uitgezet hebben
hijzou uitgezet hebben
wijzouden uitgezet hebben
julliezouden uitgezet hebben
zijzouden uitgezet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzet uit

Translations

  • deport, to evict, especially from a country
  • dilate, to become wider or larger; to expand
  • evict, to expel
  • expand, (intransitive) to change from a smaller form/size to a larger one
  • extradite, to remove a person from one state to another by legal process
  • fatten, to become fatter
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    openzetten
    uitspreiden
    afzetten
    uitdoen, uitdraaien
    afbakenen
    markeren, uitmeten
    opzetten
    zwellen

    Antonyms

    afzetten
    aanzetten, aandoen, aandraaien, inschakelen, starten

    Sample Sentences

    • [...] schoten en maakten andere seinen voor de boot. Toen eindelijk al hun seinen en schieten vruchteloos bleef, en hun boot onbewegelijk bleef, zagen wij door mijn kijker hen eene andere boot uitzetten, en naar den wal roeijen, en wij bespeurden, toen deze naderkwam, dat er niet minder dan tien man in waren, en dat deze vuurwapens bij zich hadden. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From uit + zetten.

    Additional Information