Infinitive - Onbepaalde wijs: overseinen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overseinend
Past participle - Verleden deelwoord: overgeseind
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | sein over |
| jij | seint over |
| hij | seint over |
| wij | seinen over |
| jullie | seinen over |
| zij | seinen over |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb overgeseind |
| jij | hebt overgeseind |
| hij | heeft overgeseind |
| wij | hebben overgeseind |
| jullie | hebben overgeseind |
| zij | hebben overgeseind |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | seinde over |
| jij | seinde over |
| hij | seinde over |
| wij | seinden over |
| jullie | seinden over |
| zij | seinden over |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had overgeseind |
| jij | had overgeseind |
| hij | had overgeseind |
| wij | hadden overgeseind |
| jullie | hadden overgeseind |
| zij | hadden overgeseind |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal overseinen |
| jij | zult overseinen |
| hij | zal overseinen |
| wij | zullen overseinen |
| jullie | zullen overseinen |
| zij | zullen overseinen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal overgeseind hebben |
| jij | zult overgeseind hebben |
| hij | zal overgeseind hebben |
| wij | zullen overgeseind hebben |
| jullie | zullen overgeseind hebben |
| zij | zullen overgeseind hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou overseinen |
| jij | zou overseinen |
| hij | zou overseinen |
| wij | zouden overseinen |
| jullie | zouden overseinen |
| zij | zouden overseinen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou overgeseind hebben |
| jij | zou overgeseind hebben |
| hij | zou overgeseind hebben |
| wij | zouden overgeseind hebben |
| jullie | zouden overgeseind hebben |
| zij | zouden overgeseind hebben |
| jij | sein over |