terugnemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of terugnemen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: terugnemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: terugnemend
Past participle - Verleden deelwoord: teruggenomen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikneem terug
jijneemt terug
hijneemt terug
wijnemen terug
jullienemen terug
zijnemen terug

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb teruggenomen
jijhebt teruggenomen
hijheeft teruggenomen
wijhebben teruggenomen
julliehebben teruggenomen
zijhebben teruggenomen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknam terug
jijnam terug
hijnam terug
wijnamen terug
jullienamen terug
zijnamen terug

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad teruggenomen
jijhad teruggenomen
hijhad teruggenomen
wijhadden teruggenomen
julliehadden teruggenomen
zijhadden teruggenomen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal terugnemen
jijzult terugnemen
hijzal terugnemen
wijzullen terugnemen
julliezullen terugnemen
zijzullen terugnemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal teruggenomen hebben
jijzult teruggenomen hebben
hijzal teruggenomen hebben
wijzullen teruggenomen hebben
julliezullen teruggenomen hebben
zijzullen teruggenomen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou terugnemen
jijzou terugnemen
hijzou terugnemen
wijzouden terugnemen
julliezouden terugnemen
zijzouden terugnemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou teruggenomen hebben
jijzou teruggenomen hebben
hijzou teruggenomen hebben
wijzouden teruggenomen hebben
julliezouden teruggenomen hebben
zijzouden teruggenomen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijneem terug

Translations

  • abandon, to no longer exercise a right, relinquish a claim to property
  • recede, take back
  • retake, take back
  • withdraw, take back
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    herroepen
    inslikken, intrekken, terugkrabbelen

    Antonyms

    herroepen
    handhaven, aanhouden

    Sample Sentences

    Etymology

    From terug (“back”) + nemen (“to take”).

    Additional Information