Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bevelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bevelend
Past participle - Verleden deelwoord: bevolen
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | beveel |
| jij | beveelt |
| hij | beveelt |
| wij | bevelen |
| jullie | bevelen |
| zij | bevelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bevolen |
| jij | hebt bevolen |
| hij | heeft bevolen |
| wij | hebben bevolen |
| jullie | hebben bevolen |
| zij | hebben bevolen |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | beval |
| jij | beval |
| hij | beval |
| wij | bevalen |
| jullie | bevalen |
| zij | bevalen |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bevolen |
| jij | had bevolen |
| hij | had bevolen |
| wij | hadden bevolen |
| jullie | hadden bevolen |
| zij | hadden bevolen |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bevelen |
| jij | zult bevelen |
| hij | zal bevelen |
| wij | zullen bevelen |
| jullie | zullen bevelen |
| zij | zullen bevelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bevolen hebben |
| jij | zult bevolen hebben |
| hij | zal bevolen hebben |
| wij | zullen bevolen hebben |
| jullie | zullen bevolen hebben |
| zij | zullen bevolen hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bevelen |
| jij | zou bevelen |
| hij | zou bevelen |
| wij | zouden bevelen |
| jullie | zouden bevelen |
| zij | zouden bevelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bevolen hebben |
| jij | zou bevolen hebben |
| hij | zou bevolen hebben |
| wij | zouden bevolen hebben |
| jullie | zouden bevolen hebben |
| zij | zouden bevolen hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bevelen'
aanbevelen,
aanbreken,
aannemen,
aanspreken,
aansteken,
afbreken,
afnemen,
afspreken,
afsteken,
afstelen,
bespreken,
bestelen,
bevelen,
breken,
deelnemen,
gevangennemen,
innemen,
kwaadspreken,
nemen,
onderbreken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bevelen'
bedelen,
bevoelen,
hevelen,
nevelen,
bazelen,
bedoelen,
beduvelen,
begeren,
begeven,
behalen,
Sample Sentences
-
[...] harten, als mannen, die hun doodvonnis te gemoet gingen, want wij allen wisten zeer goed, dat als wij digt bij het strand kwamen, de branding alsdan de boot in duizend stukken zou verbrijzelen. Wij bevalen Gode onze ziel, en terwijl de wind ons naar de kust dreef, verhaastten wij de beslissing van ons lot, door zoo hard wij konden naar den wal te roeijen. Hoe het strand was, klippen of zand, steil of [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut, dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] te halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als voren te spreken, en te zeggen: " kapitein, de kommandant laat u roepen ! " De kapitein antwoordde: " zeg aan zijne excellentie, dat ik oogenblikkelijk kom. " Dit bragt hen geheel in den waan, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch bevēlen, from Old Dutch bifelan, from Proto-West Germanic *bifelhan.
Verbs referencing "bevelen"
Old English
feolan.
Additional Information