afnemen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afnemen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afnemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afnemend
Past participle - Verleden deelwoord: afgenomen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikneem af
jijneemt af
hijneemt af
wijnemen af
jullienemen af
zijnemen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgenomen
jijhebt afgenomen
hijheeft afgenomen
wijhebben afgenomen
julliehebben afgenomen
zijhebben afgenomen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iknam af
jijnam af
hijnam af
wijnamen af
jullienamen af
zijnamen af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgenomen
jijhad afgenomen
hijhad afgenomen
wijhadden afgenomen
julliehadden afgenomen
zijhadden afgenomen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afnemen
jijzult afnemen
hijzal afnemen
wijzullen afnemen
julliezullen afnemen
zijzullen afnemen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgenomen hebben
jijzult afgenomen hebben
hijzal afgenomen hebben
wijzullen afgenomen hebben
julliezullen afgenomen hebben
zijzullen afgenomen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afnemen
jijzou afnemen
hijzou afnemen
wijzouden afnemen
julliezouden afnemen
zijzouden afnemen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgenomen hebben
jijzou afgenomen hebben
hijzou afgenomen hebben
wijzouden afgenomen hebben
julliezouden afgenomen hebben
zijzouden afgenomen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijneem af

Translations

  • decline, move downwards
  • decline, become weaker or worse
  • decrease, become smaller
  • diminish, To become smaller
  • lessen, to become less
  • remit, to allow to slacken
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afdoen
    uitdoen
    afruimen
    afstoffen
    afhalen
    weghalen
    achteruitgaan
    teruglopen, verminderen

    Sample Sentences

    • [...] gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen. (Robinson Crusoe)
    • [...] en te goeder ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen mijn kelder niet verlaten kon. (Robinson Crusoe)
    • [...] van het water, dat de strooming eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] u niet, heeren; misschien vindt gij in mij een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."—"Dan moet gij regtstreeks van den hemel gezonden zijn, " zeide een hunner ernstig, en te gelijk den hoed afnemende, " want menschelijke bijstand kan ons niet baten."—"Alle bijstand komt van den hemel, " zeide ik. " Maar kunt gij een vreemdeling onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afnemen, avenemen, from Old Dutch avaneman, from Proto-Germanic *abanemaną; equivalent to af + nemen. See: Proto-Germanic '*abanemaną'.

    Verbs referencing "afnemen"

    German, old spelling abnehmen.

    Additional Information