bestelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bestelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bestelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bestelend
Past participle - Verleden deelwoord: bestolen

Cognates

See the 4 cognates of bestelen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbesteel
jijbesteelt
hijbesteelt
wijbestelen
julliebestelen
zijbestelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bestolen
jijhebt bestolen
hijheeft bestolen
wijhebben bestolen
julliehebben bestolen
zijhebben bestolen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbestal
jijbestal
hijbestal
wijbestalen
julliebestalen
zijbestalen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bestolen
jijhad bestolen
hijhad bestolen
wijhadden bestolen
julliehadden bestolen
zijhadden bestolen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bestelen
jijzult bestelen
hijzal bestelen
wijzullen bestelen
julliezullen bestelen
zijzullen bestelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bestolen hebben
jijzult bestolen hebben
hijzal bestolen hebben
wijzullen bestolen hebben
julliezullen bestolen hebben
zijzullen bestolen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bestelen
jijzou bestelen
hijzou bestelen
wijzouden bestelen
julliezouden bestelen
zijzouden bestelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bestolen hebben
jijzou bestolen hebben
hijzou bestolen hebben
wijzouden bestolen hebben
julliezouden bestolen hebben
zijzouden bestolen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbesteel

Translations

  • rob, to steal from, using violence
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch bestelen. Equivalent to be- + stelen.

    Verbs referencing "bestelen"

    English besteal.

    Additional Information