bruineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bruineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bruineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bruinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebruineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbruineer
jijbruineert
hijbruineert
wijbruineren
julliebruineren
zijbruineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebruineerd
jijhebt gebruineerd
hijheeft gebruineerd
wijhebben gebruineerd
julliehebben gebruineerd
zijhebben gebruineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbruineerde
jijbruineerde
hijbruineerde
wijbruineerden
julliebruineerden
zijbruineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebruineerd
jijhad gebruineerd
hijhad gebruineerd
wijhadden gebruineerd
julliehadden gebruineerd
zijhadden gebruineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bruineren
jijzult bruineren
hijzal bruineren
wijzullen bruineren
julliezullen bruineren
zijzullen bruineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebruineerd hebben
jijzult gebruineerd hebben
hijzal gebruineerd hebben
wijzullen gebruineerd hebben
julliezullen gebruineerd hebben
zijzullen gebruineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bruineren
jijzou bruineren
hijzou bruineren
wijzouden bruineren
julliezouden bruineren
zijzouden bruineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebruineerd hebben
jijzou gebruineerd hebben
hijzou gebruineerd hebben
wijzouden gebruineerd hebben
julliezouden gebruineerd hebben
zijzouden gebruineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbruineer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information