aanbreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanbreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanbreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanbrekend
Past participle - Verleden deelwoord: aangebroken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbreek aan
jijbreekt aan
hijbreekt aan
wijbreken aan
julliebreken aan
zijbreken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangebroken
jijhebt aangebroken
hijheeft aangebroken
wijhebben aangebroken
julliehebben aangebroken
zijhebben aangebroken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrak aan
jijbrak aan
hijbrak aan
wijbraken aan
julliebraken aan
zijbraken aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangebroken
jijhad aangebroken
hijhad aangebroken
wijhadden aangebroken
julliehadden aangebroken
zijhadden aangebroken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanbreken
jijzult aanbreken
hijzal aanbreken
wijzullen aanbreken
julliezullen aanbreken
zijzullen aanbreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangebroken hebben
jijzult aangebroken hebben
hijzal aangebroken hebben
wijzullen aangebroken hebben
julliezullen aangebroken hebben
zijzullen aangebroken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanbreken
jijzou aanbreken
hijzou aanbreken
wijzouden aanbreken
julliezouden aanbreken
zijzouden aanbreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangebroken hebben
jijzou aangebroken hebben
hijzou aangebroken hebben
wijzouden aangebroken hebben
julliezouden aangebroken hebben
zijzouden aangebroken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbreek aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aanvangen
beginnen
aanspreken
openmaken

Antonyms

aanvangen
uitscheiden, eindigen, ophouden, stoppen

Sample Sentences

  • [...] toevlugtsoord, en aan alle uitkomst wanhopende, niets dan den dood voor oogen, hetzij, dat ik door wilde dieren verslonden, door wilden vermoord, of uit gebrek aan voedsel verhongeren moest. Bij het aanbreken van den nacht, ging ik, uit vrees voor wilde dieren, in een boom slapen, maar sliep gerust, schoon het den geheelen nacht regende. (Robinson Crusoe)

Etymology

Inherited from Middle Dutch aenbreken. By surface analysis, aan + breken.

Additional Information