bespreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bespreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bespreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: besprekend
Past participle - Verleden deelwoord: besproken

Cognates

See the 2 cognates of bespreken

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespreek
jijbespreekt
hijbespreekt
wijbespreken
julliebespreken
zijbespreken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb besproken
jijhebt besproken
hijheeft besproken
wijhebben besproken
julliehebben besproken
zijhebben besproken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbesprak
jijbesprak
hijbesprak
wijbespraken
julliebespraken
zijbespraken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad besproken
jijhad besproken
hijhad besproken
wijhadden besproken
julliehadden besproken
zijhadden besproken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bespreken
jijzult bespreken
hijzal bespreken
wijzullen bespreken
julliezullen bespreken
zijzullen bespreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal besproken hebben
jijzult besproken hebben
hijzal besproken hebben
wijzullen besproken hebben
julliezullen besproken hebben
zijzullen besproken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bespreken
jijzou bespreken
hijzou bespreken
wijzouden bespreken
julliezouden bespreken
zijzouden bespreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou besproken hebben
jijzou besproken hebben
hijzou besproken hebben
wijzouden besproken hebben
julliezouden besproken hebben
zijzouden besproken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespreek

Translations

  • bespeak, (transitive) to speak about; tell of; relate; discuss
  • debate, participate in a debate
  • discourse, to debate
  • discuss, to converse or debate concerning a particular topic
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bediscussiëren
    behandelen, doornemen
    beoordelen
    recenseren
    bestellen
    reserveren

    Sample Sentences

    • Laten we de plannen voor het evenement bespreken tijdens de vergadering. (Let's discuss the plans for the event during the meeting.)
    • Ze hebben besloten om de kwestie intern te bespreken voordat ze een beslissing nemen. (They have decided to discuss the matter internally before making a decision.)
    • We hebben uitgebreid de mogelijkheden besproken en zijn tot een consensus gekomen. (We have thoroughly discussed the possibilities and reached a consensus.)

    Etymology

    From Middle Dutch besprēken, from Old Dutch *bisprekan, from Proto-Germanic *bisprekaną. Equivalent to be- + spreken.

    Verbs referencing "bespreken"

    English bespeak, German, old spelling besprechen.

    Additional Information