aansteken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aansteken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aansteken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstekend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestoken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksteek aan
jijsteekt aan
hijsteekt aan
wijsteken aan
julliesteken aan
zijsteken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangestoken
jijhebt aangestoken
hijheeft aangestoken
wijhebben aangestoken
julliehebben aangestoken
zijhebben aangestoken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstak aan
jijstak aan
hijstak aan
wijstaken aan
julliestaken aan
zijstaken aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangestoken
jijhad aangestoken
hijhad aangestoken
wijhadden aangestoken
julliehadden aangestoken
zijhadden aangestoken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aansteken
jijzult aansteken
hijzal aansteken
wijzullen aansteken
julliezullen aansteken
zijzullen aansteken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangestoken hebben
jijzult aangestoken hebben
hijzal aangestoken hebben
wijzullen aangestoken hebben
julliezullen aangestoken hebben
zijzullen aangestoken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aansteken
jijzou aansteken
hijzou aansteken
wijzouden aansteken
julliezouden aansteken
zijzouden aansteken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangestoken hebben
jijzou aangestoken hebben
hijzou aangestoken hebben
wijzouden aangestoken hebben
julliezouden aangestoken hebben
zijzouden aangestoken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsteek aan

Translations

  • kindle, to start (a fire)
  • ignite, to set fire to, to light
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aandoen
    ontsteken, opsteken
    besmetten
    infecteren

    Antonyms

    aandoen
    uitdoen, afleggen, uittrekken

    Sample Sentences

    • [...] kruid bij kleine gedeelten te bergen, in de hoop, dat, wat er ook gebeuren mogt, het niet alles te gelijk vlam zou vatten, en ik het zoo afgescheiden kon houden, dat het eene het andere niet kon aansteken. Ik bragt hiermede veertien dagen door; en mijn kruid, dat ongeveer 140 [ lb = gewicht ] zal bedragen hebben, had ik toen in wel honderd partijen verdeeld. Van het vaatje, dat nat geweest was, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From aan + steken.

    Verbs referencing "aansteken"

    Afrikaans aansteek.

    Additional Information