uitmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitmaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitmakend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak uit
jijmaakt uit
hijmaakt uit
wijmaken uit
julliemaken uit
zijmaken uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgemaakt
jijhebt uitgemaakt
hijheeft uitgemaakt
wijhebben uitgemaakt
julliehebben uitgemaakt
zijhebben uitgemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte uit
jijmaakte uit
hijmaakte uit
wijmaakten uit
julliemaakten uit
zijmaakten uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgemaakt
jijhad uitgemaakt
hijhad uitgemaakt
wijhadden uitgemaakt
julliehadden uitgemaakt
zijhadden uitgemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitmaken
jijzult uitmaken
hijzal uitmaken
wijzullen uitmaken
julliezullen uitmaken
zijzullen uitmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgemaakt hebben
jijzult uitgemaakt hebben
hijzal uitgemaakt hebben
wijzullen uitgemaakt hebben
julliezullen uitgemaakt hebben
zijzullen uitgemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitmaken
jijzou uitmaken
hijzou uitmaken
wijzouden uitmaken
julliezouden uitmaken
zijzouden uitmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgemaakt hebben
jijzou uitgemaakt hebben
hijzou uitgemaakt hebben
wijzouden uitgemaakt hebben
julliezouden uitgemaakt hebben
zijzouden uitgemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak uit

Translations

  • compose, compose
  • comprise, compose
  • mind, to dislike, object to, have a contrary opinion toward
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afbreken
    beëindigen, verbreken
    vormen
    zijn
    betekenen
    schelen
    bepalen
    beslissen, besluiten, onderscheiden, vaststellen
    blussen
    doven, uitdoen

    Antonyms

    afbreken
    opbouwen, bouwen, construeren, optrekken

    Sample Sentences

    • Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. (Robinson Crusoe)
    • [...] hem waren ) veel vermaak gaf. Daar de beer een zwaar en plomp schepsel is, die niet zoo vlug loopt als de wolf, handelt hij gewoonlijk naar twee regels. Den mensch, die zijn eigenlijke prooi niet uitmaakt, schoon ik niet zeggen kan wat groote honger, als de sneeuw, gelijk thans het geval was, den grond bedekt, bij hem kan uitwerken, den mensch, zeg ik, valt hij zelden het eerst aan; integendeel, zoo [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch utemaken. Equivalent to uit (“out”) + maken (“to make”).

    Additional Information