uitvaren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitvaren

The word "uitvaren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitvaren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitvarend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgevaard

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvaar uit
jijvaart uit
hijvaart uit
wijvaren uit
jullievaren uit
zijvaren uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgevaard
jijhebt uitgevaard
hijheeft uitgevaard
wijhebben uitgevaard
julliehebben uitgevaard
zijhebben uitgevaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvaarde uit
jijvaarde uit
hijvaarde uit
wijvaarden uit
jullievaarden uit
zijvaarden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgevaard
jijhad uitgevaard
hijhad uitgevaard
wijhadden uitgevaard
julliehadden uitgevaard
zijhadden uitgevaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitvaren
jijzult uitvaren
hijzal uitvaren
wijzullen uitvaren
julliezullen uitvaren
zijzullen uitvaren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgevaard hebben
jijzult uitgevaard hebben
hijzal uitgevaard hebben
wijzullen uitgevaard hebben
julliezullen uitgevaard hebben
zijzullen uitgevaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitvaren
jijzou uitvaren
hijzou uitvaren
wijzouden uitvaren
julliezouden uitvaren
zijzouden uitvaren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgevaard hebben
jijzou uitgevaard hebben
hijzou uitgevaard hebben
wijzouden uitgevaard hebben
julliezouden uitgevaard hebben
zijzouden uitgevaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvaar uit

Verbs similar to 'uitvaren'

Translations

  • rant, to speak or shout at length in uncontrollable anger
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information