onderbreken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of onderbreken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: onderbreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onderbrekend
Past participle - Verleden deelwoord: onderbroken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikonderbreek
jijonderbreekt
hijonderbreekt
wijonderbreken
jullieonderbreken
zijonderbreken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb onderbroken
jijhebt onderbroken
hijheeft onderbroken
wijhebben onderbroken
julliehebben onderbroken
zijhebben onderbroken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikonderbrak
jijonderbrak
hijonderbrak
wijonderbraken
jullieonderbraken
zijonderbraken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad onderbroken
jijhad onderbroken
hijhad onderbroken
wijhadden onderbroken
julliehadden onderbroken
zijhadden onderbroken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal onderbreken
jijzult onderbreken
hijzal onderbreken
wijzullen onderbreken
julliezullen onderbreken
zijzullen onderbreken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal onderbroken hebben
jijzult onderbroken hebben
hijzal onderbroken hebben
wijzullen onderbroken hebben
julliezullen onderbroken hebben
zijzullen onderbroken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou onderbreken
jijzou onderbreken
hijzou onderbreken
wijzouden onderbreken
julliezouden onderbreken
zijzouden onderbreken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou onderbroken hebben
jijzou onderbroken hebben
hijzou onderbroken hebben
wijzouden onderbroken hebben
julliezouden onderbroken hebben
zijzouden onderbroken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijonderbreek

Translations

  • adjourn, to defer
  • disrupt, to interrupt or impede something
  • escape, to halt a program by pressing a combination of keys
  • interrupt, to disturb or halt an ongoing process or action
  • prorogue, to defer
  • suspend, to discontinue or interrupt a function, task, position, or event
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afbreken
    interrumperen, storen, verstoren

    Antonyms

    afbreken
    opbouwen, bouwen, construeren, optrekken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch onderbreken, a calque of Latin interrumpere. Reinforced by German unterbrechen and formerly discouraged as a Germanism. By surface analysis, onder (“under”) + breken (“to break”). See: Latin 'interrumpo', German, old spelling 'unterbrechen'.

    Verbs referencing "onderbreken"

    German, old spelling unterbrechen.

    Additional Information