construeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of construeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: construeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: construerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconstrueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconstrueer
jijconstrueert
hijconstrueert
wijconstrueren
jullieconstrueren
zijconstrueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconstrueerd
jijhebt geconstrueerd
hijheeft geconstrueerd
wijhebben geconstrueerd
julliehebben geconstrueerd
zijhebben geconstrueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconstrueerde
jijconstrueerde
hijconstrueerde
wijconstrueerden
jullieconstrueerden
zijconstrueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconstrueerd
jijhad geconstrueerd
hijhad geconstrueerd
wijhadden geconstrueerd
julliehadden geconstrueerd
zijhadden geconstrueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal construeren
jijzult construeren
hijzal construeren
wijzullen construeren
julliezullen construeren
zijzullen construeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconstrueerd hebben
jijzult geconstrueerd hebben
hijzal geconstrueerd hebben
wijzullen geconstrueerd hebben
julliezullen geconstrueerd hebben
zijzullen geconstrueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou construeren
jijzou construeren
hijzou construeren
wijzouden construeren
julliezouden construeren
zijzouden construeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconstrueerd hebben
jijzou geconstrueerd hebben
hijzou geconstrueerd hebben
wijzouden geconstrueerd hebben
julliezouden geconstrueerd hebben
zijzouden geconstrueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconstrueer

Translations

  • rear, to set up, construct
  • Sample Sentences

    Etymology

    17th century. Borrowed from Latin cōnstruō, cōnstruere. See: Latin 'construo'.

    Additional Information