teruglopen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of teruglopen

The word "teruglopen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: teruglopen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: teruglopend
Past participle - Verleden deelwoord: teruggeloopt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloop terug
jijloopt terug
hijloopt terug
wijlopen terug
jullielopen terug
zijlopen terug

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb teruggeloopt
jijhebt teruggeloopt
hijheeft teruggeloopt
wijhebben teruggeloopt
julliehebben teruggeloopt
zijhebben teruggeloopt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloopte terug
jijloopte terug
hijloopte terug
wijloopten terug
jullieloopten terug
zijloopten terug

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad teruggeloopt
jijhad teruggeloopt
hijhad teruggeloopt
wijhadden teruggeloopt
julliehadden teruggeloopt
zijhadden teruggeloopt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal teruglopen
jijzult teruglopen
hijzal teruglopen
wijzullen teruglopen
julliezullen teruglopen
zijzullen teruglopen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal teruggeloopt hebben
jijzult teruggeloopt hebben
hijzal teruggeloopt hebben
wijzullen teruggeloopt hebben
julliezullen teruggeloopt hebben
zijzullen teruggeloopt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou teruglopen
jijzou teruglopen
hijzou teruglopen
wijzouden teruglopen
julliezouden teruglopen
zijzouden teruglopen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou teruggeloopt hebben
jijzou teruggeloopt hebben
hijzou teruggeloopt hebben
wijzouden teruggeloopt hebben
julliezouden teruggeloopt hebben
zijzouden teruggeloopt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloop terug

Verbs conjugated like 'teruglopen'

aanbleken, aanhaken, aankweken, aanmaken, aanpreken, aanraken, aansmeken, aanstoken, afhaken, afkraken, afmaken, afpreken, bekendmaken, bewaken, dichtmaken, dopen, gapen, geraken, inmaken, inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'teruglopen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From terug (“back”) + lopen (“to walk, run”).

Additional Information