afweren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afweren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afweren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afwerend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeweerd

Cognates

See the 3 cognates of afweren

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikweer af
jijweert af
hijweert af
wijweren af
jullieweren af
zijweren af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeweerd
jijhebt afgeweerd
hijheeft afgeweerd
wijhebben afgeweerd
julliehebben afgeweerd
zijhebben afgeweerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikweerde af
jijweerde af
hijweerde af
wijweerden af
jullieweerden af
zijweerden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeweerd
jijhad afgeweerd
hijhad afgeweerd
wijhadden afgeweerd
julliehadden afgeweerd
zijhadden afgeweerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afweren
jijzult afweren
hijzal afweren
wijzullen afweren
julliezullen afweren
zijzullen afweren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeweerd hebben
jijzult afgeweerd hebben
hijzal afgeweerd hebben
wijzullen afgeweerd hebben
julliezullen afgeweerd hebben
zijzullen afgeweerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afweren
jijzou afweren
hijzou afweren
wijzouden afweren
julliezouden afweren
zijzouden afweren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeweerd hebben
jijzou afgeweerd hebben
hijzou afgeweerd hebben
wijzouden afgeweerd hebben
julliezouden afgeweerd hebben
zijzouden afgeweerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijweer af

Translations

  • cast, to throw down or aside
  • foil, prevent from being accomplished
  • parry, avoid, deflect, or ward off
  • repel, to put off
  • ward, To fend off; to repel; to turn aside
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afslaan
    bezweren, pareren, tegenhouden, verdrijven

    Sample Sentences

    • [...] groot, omdat ik, gelijk ik zeide, slechts weinig had. Het graan stond echter zeer goed, toen ik plotseling weder in gevaar kwam alles te verliezen, door verschillende vijanden, die ik moeijelijk kon afweren, als eerstelijk de geiten, en de beesten, die ik hazen noemde, kregen smaak in de graanhalmen, en aten het op zoodra het uitschoot, zoodat het geen airen kon schieten. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afwēren. Equivalent to af + weren.

    Verbs referencing "afweren"

    Swedish avvärja.

    Additional Information