afvegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afvegen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afvegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afvegend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeveegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikveeg af
jijveegt af
hijveegt af
wijvegen af
jullievegen af
zijvegen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeveegd
jijhebt afgeveegd
hijheeft afgeveegd
wijhebben afgeveegd
julliehebben afgeveegd
zijhebben afgeveegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikveegde af
jijveegde af
hijveegde af
wijveegden af
jullieveegden af
zijveegden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeveegd
jijhad afgeveegd
hijhad afgeveegd
wijhadden afgeveegd
julliehadden afgeveegd
zijhadden afgeveegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afvegen
jijzult afvegen
hijzal afvegen
wijzullen afvegen
julliezullen afvegen
zijzullen afvegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeveegd hebben
jijzult afgeveegd hebben
hijzal afgeveegd hebben
wijzullen afgeveegd hebben
julliezullen afgeveegd hebben
zijzullen afgeveegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afvegen
jijzou afvegen
hijzou afvegen
wijzouden afvegen
julliezouden afvegen
zijzouden afvegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeveegd hebben
jijzou afgeveegd hebben
hijzou afgeveegd hebben
wijzouden afgeveegd hebben
julliezouden afgeveegd hebben
zijzouden afgeveegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijveeg af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

reinigen
schoonmaken, schoonvegen
aflappen
afnemen, verwijderen, weghalen, wegpoetsen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch afvēgen. Equivalent to af + vegen.

Additional Information