afleggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afleggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afleggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afleggend
Past participle - Verleden deelwoord: afgelegd

Cognates

See the 3 cognates of afleggen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleg af
jijlegt af
hijlegt af
wijleggen af
jullieleggen af
zijleggen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgelegd
jijhebt afgelegd
hijheeft afgelegd
wijhebben afgelegd
julliehebben afgelegd
zijhebben afgelegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklegde af
jijlegde af
hijlegde af
wijlegden af
jullielegden af
zijlegden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgelegd
jijhad afgelegd
hijhad afgelegd
wijhadden afgelegd
julliehadden afgelegd
zijhadden afgelegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afleggen
jijzult afleggen
hijzal afleggen
wijzullen afleggen
julliezullen afleggen
zijzullen afleggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgelegd hebben
jijzult afgelegd hebben
hijzal afgelegd hebben
wijzullen afgelegd hebben
julliezullen afgelegd hebben
zijzullen afgelegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afleggen
jijzou afleggen
hijzou afleggen
wijzouden afleggen
julliezouden afleggen
zijzouden afleggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgelegd hebben
jijzou afgelegd hebben
hijzou afgelegd hebben
wijzouden afgelegd hebben
julliezouden afgelegd hebben
zijzouden afgelegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleg af

Translations

  • discard, to throw away, reject
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afdoen
    neerleggen
    opzijleggen
    verwijderen

    Sample Sentences

    • [...] kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en vergat al de geloften, die ik gedurende mijn angst had afgelegd. Er waren echter nog oogenblikken, waarin de rede hare heerschappij trachtte te hernemen, maar ik verzette mij daartegen als tegen eene zwakheid, en terwijl ik mij aan den sterken drank en het [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] sloeg een anderen weg in om huiswaarts te keeren, denkende dat ik gemakkelijk het geheele eiland zou kunnen overzien, en mijn weg niet missen; maar hierin vergiste ik mij, want toen ik een half uur afgelegd had, bevond ik mij in een diep dal, dat door heuvels met geboomte bezet, omringd was, zoodat ik mijn weg alleen houden kon door mij naar de zon te rigten, en dit was nog moeijelijk, tenzij ik den [...] (Robinson Crusoe)
    • Hoe verlangde ik thans naar den Moorschen jongen en de boot, met welke ik wel duizend mijlen langs de Afrikaansche kust had afgelegd; maar deze had ik thans niet. Toen bedacht ik de boot van ons schip te gaan opzoeken, die, gelijk ik zeide, een groot eind weegs op het strand was geslagen, bij het begin van den storm. Deze lag nog [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] met open muil op ons zag afkomen en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik duizend mijlen ter zee afleggen, al wist ik ook, dat ik alle weken een storm zou moeten doorstaan. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch afleggen, aveleggen, from Proto-Germanic *abalagjaną. Equivalent to af + leggen. See: Proto-Germanic '*abalagjaną'.

    Verbs referencing "afleggen"

    English offlay, Luxembourgish ofleeën.

    Additional Information