opsteken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opsteken

The word "opsteken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opsteken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opstekend
Past participle - Verleden deelwoord: opgesteekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksteek op
jijsteekt op
hijsteekt op
wijsteken op
julliesteken op
zijsteken op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgesteekt
jijhebt opgesteekt
hijheeft opgesteekt
wijhebben opgesteekt
julliehebben opgesteekt
zijhebben opgesteekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksteekte op
jijsteekte op
hijsteekte op
wijsteekten op
julliesteekten op
zijsteekten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgesteekt
jijhad opgesteekt
hijhad opgesteekt
wijhadden opgesteekt
julliehadden opgesteekt
zijhadden opgesteekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opsteken
jijzult opsteken
hijzal opsteken
wijzullen opsteken
julliezullen opsteken
zijzullen opsteken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgesteekt hebben
jijzult opgesteekt hebben
hijzal opgesteekt hebben
wijzullen opgesteekt hebben
julliezullen opgesteekt hebben
zijzullen opgesteekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opsteken
jijzou opsteken
hijzou opsteken
wijzouden opsteken
julliezouden opsteken
zijzouden opsteken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgesteekt hebben
jijzou opgesteekt hebben
hijzou opgesteekt hebben
wijzouden opgesteekt hebben
julliezouden opgesteekt hebben
zijzouden opgesteekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsteek op

Verbs similar to 'opsteken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij stak niets op van de lessen op school. (He learned nothing from the lesson at school.)
  • Ondanks zijn benauwdheid stak hij toch weer een sigaret op. (Despite his anxiety, he lit a cigarette.)

Etymology

From op + steken.

Additional Information