infecteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of infecteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: infecteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: infecterend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnfecteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinfecteer
jijinfecteert
hijinfecteert
wijinfecteren
jullieinfecteren
zijinfecteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnfecteerd
jijhebt geïnfecteerd
hijheeft geïnfecteerd
wijhebben geïnfecteerd
julliehebben geïnfecteerd
zijhebben geïnfecteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinfecteerde
jijinfecteerde
hijinfecteerde
wijinfecteerden
jullieinfecteerden
zijinfecteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnfecteerd
jijhad geïnfecteerd
hijhad geïnfecteerd
wijhadden geïnfecteerd
julliehadden geïnfecteerd
zijhadden geïnfecteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal infecteren
jijzult infecteren
hijzal infecteren
wijzullen infecteren
julliezullen infecteren
zijzullen infecteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnfecteerd hebben
jijzult geïnfecteerd hebben
hijzal geïnfecteerd hebben
wijzullen geïnfecteerd hebben
julliezullen geïnfecteerd hebben
zijzullen geïnfecteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou infecteren
jijzou infecteren
hijzou infecteren
wijzouden infecteren
julliezouden infecteren
zijzouden infecteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnfecteerd hebben
jijzou geïnfecteerd hebben
hijzou geïnfecteerd hebben
wijzouden geïnfecteerd hebben
julliezouden geïnfecteerd hebben
zijzouden geïnfecteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinfecteer

Translations

  • infect, to bring into contact with a substance that causes illness
  • infect, to make somebody enthusiastic about one's own passion
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Latin inficere, modelled on French infecter. See: Latin 'inficere', French 'infecter'.

    Additional Information