aanbleken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanbleken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanbleken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanblekend
Past participle - Verleden deelwoord: aangebleekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbleek aan
jijbleekt aan
hijbleekt aan
wijbleken aan
julliebleken aan
zijbleken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangebleekt
jijhebt aangebleekt
hijheeft aangebleekt
wijhebben aangebleekt
julliehebben aangebleekt
zijhebben aangebleekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbleekte aan
jijbleekte aan
hijbleekte aan
wijbleekten aan
julliebleekten aan
zijbleekten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangebleekt
jijhad aangebleekt
hijhad aangebleekt
wijhadden aangebleekt
julliehadden aangebleekt
zijhadden aangebleekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanbleken
jijzult aanbleken
hijzal aanbleken
wijzullen aanbleken
julliezullen aanbleken
zijzullen aanbleken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangebleekt hebben
jijzult aangebleekt hebben
hijzal aangebleekt hebben
wijzullen aangebleekt hebben
julliezullen aangebleekt hebben
zijzullen aangebleekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanbleken
jijzou aanbleken
hijzou aanbleken
wijzouden aanbleken
julliezouden aanbleken
zijzouden aanbleken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangebleekt hebben
jijzou aangebleekt hebben
hijzou aangebleekt hebben
wijzouden aangebleekt hebben
julliezouden aangebleekt hebben
zijzouden aangebleekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbleek aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information