Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afnemen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afnemend
Past participle - Verleden deelwoord: afgenomen
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | neem af |
| jij | neemt af |
| hij | neemt af |
| wij | nemen af |
| jullie | nemen af |
| zij | nemen af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgenomen |
| jij | hebt afgenomen |
| hij | heeft afgenomen |
| wij | hebben afgenomen |
| jullie | hebben afgenomen |
| zij | hebben afgenomen |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | nam af |
| jij | nam af |
| hij | nam af |
| wij | namen af |
| jullie | namen af |
| zij | namen af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgenomen |
| jij | had afgenomen |
| hij | had afgenomen |
| wij | hadden afgenomen |
| jullie | hadden afgenomen |
| zij | hadden afgenomen |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afnemen |
| jij | zult afnemen |
| hij | zal afnemen |
| wij | zullen afnemen |
| jullie | zullen afnemen |
| zij | zullen afnemen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgenomen hebben |
| jij | zult afgenomen hebben |
| hij | zal afgenomen hebben |
| wij | zullen afgenomen hebben |
| jullie | zullen afgenomen hebben |
| zij | zullen afgenomen hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afnemen |
| jij | zou afnemen |
| hij | zou afnemen |
| wij | zouden afnemen |
| jullie | zouden afnemen |
| zij | zouden afnemen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgenomen hebben |
| jij | zou afgenomen hebben |
| hij | zou afgenomen hebben |
| wij | zouden afgenomen hebben |
| jullie | zouden afgenomen hebben |
| zij | zouden afgenomen hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afnemen'
aanbevelen,
aanbreken,
aannemen,
aanspreken,
aansteken,
afbreken,
afnemen,
afspreken,
afsteken,
afstelen,
bespreken,
bestelen,
bevelen,
breken,
deelnemen,
gevangennemen,
innemen,
kwaadspreken,
nemen,
onderbreken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afnemen'
aannemen,
afheien,
afkeren,
afleren,
afvegen,
afwegen,
afweren,
innemen,
nemen,
opnemen,
Sample Sentences
-
[...] gedachten over laten gaan, hoe in verschillende omstandigheden te handelen, in het toekomende, niet alleen als mijn kruid en lood op zou zijn, maar zelfs als mijne gezondheid en krachten zouden afnemen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] en te goeder ure, want de regen zou ze anders spoedig bedorven en mij van het beste deel van mijn wintervoorraad beroofd hebben; want ik had meer dan tweehonderd trossen, die ik naauwelijks had afgenomen of het begon te regenen, en van den 14 Augustus tot het midden van October, had ik elken dag meer of minder regen; somtijds zoo zwaar, dat ik verscheidene dagen mijn kelder niet verlaten kon.
(Robinson Crusoe)
-
[...] van het water, dat de strooming eenigzins veranderen moest; want waar de strooming zoo sterk was, was het water dik; maar daar ik hier de zee helder zag, bemerkte ik tevens dat de strooming afnam; en thans vond ik tien minuten verder oostelijk, dat de zee op eenige klippen brandde; deze rotsen scheidden de strooming weder, de voornaamste liep meer zuidelijk, en liet de klippen in het [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] u niet, heeren; misschien vindt gij in mij een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."—"Dan moet gij regtstreeks van den hemel gezonden zijn, " zeide een hunner ernstig, en te gelijk den hoed afnemende, " want menschelijke bijstand kan ons niet baten."—"Alle bijstand komt van den hemel, " zeide ik. " Maar kunt gij een vreemdeling onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch afnemen, avenemen, from Old Dutch avaneman, from Proto-Germanic *abanemaną; equivalent to af + nemen. See: Proto-Germanic '
*abanemaną'.
Verbs referencing "afnemen"
German, old spelling
abnehmen.
Additional Information