miegelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of miegelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: miegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: miegelend
Past participle - Verleden deelwoord: gemiegeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmiegel
jijmiegelt
hijmiegelt
wijmiegelen
julliemiegelen
zijmiegelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemiegeld
jijhebt gemiegeld
hijheeft gemiegeld
wijhebben gemiegeld
julliehebben gemiegeld
zijhebben gemiegeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmiegelde
jijmiegelde
hijmiegelde
wijmiegelden
julliemiegelden
zijmiegelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemiegeld
jijhad gemiegeld
hijhad gemiegeld
wijhadden gemiegeld
julliehadden gemiegeld
zijhadden gemiegeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal miegelen
jijzult miegelen
hijzal miegelen
wijzullen miegelen
julliezullen miegelen
zijzullen miegelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemiegeld hebben
jijzult gemiegeld hebben
hijzal gemiegeld hebben
wijzullen gemiegeld hebben
julliezullen gemiegeld hebben
zijzullen gemiegeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou miegelen
jijzou miegelen
hijzou miegelen
wijzouden miegelen
julliezouden miegelen
zijzouden miegelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemiegeld hebben
jijzou gemiegeld hebben
hijzou gemiegeld hebben
wijzouden gemiegeld hebben
julliezouden gemiegeld hebben
zijzouden gemiegeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmiegel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information