ijzelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ijzelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ijzelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ijzelend
Past participle - Verleden deelwoord: geijzeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikijzel
jijijzelt
hijijzelt
wijijzelen
jullieijzelen
zijijzelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geijzeld
jijhebt geijzeld
hijheeft geijzeld
wijhebben geijzeld
julliehebben geijzeld
zijhebben geijzeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikijzelde
jijijzelde
hijijzelde
wijijzelden
jullieijzelden
zijijzelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geijzeld
jijhad geijzeld
hijhad geijzeld
wijhadden geijzeld
julliehadden geijzeld
zijhadden geijzeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ijzelen
jijzult ijzelen
hijzal ijzelen
wijzullen ijzelen
julliezullen ijzelen
zijzullen ijzelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geijzeld hebben
jijzult geijzeld hebben
hijzal geijzeld hebben
wijzullen geijzeld hebben
julliezullen geijzeld hebben
zijzullen geijzeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ijzelen
jijzou ijzelen
hijzou ijzelen
wijzouden ijzelen
julliezouden ijzelen
zijzouden ijzelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geijzeld hebben
jijzou geijzeld hebben
hijzou geijzeld hebben
wijzouden geijzeld hebben
julliezouden geijzeld hebben
zijzouden geijzeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijijzel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ijzel + -en.

Additional Information