beleven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beleven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beleven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belevend
Past participle - Verleden deelwoord: beleefd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeleef
jijbeleeft
hijbeleeft
wijbeleven
julliebeleven
zijbeleven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beleefd
jijhebt beleefd
hijheeft beleefd
wijhebben beleefd
julliehebben beleefd
zijhebben beleefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeleefde
jijbeleefde
hijbeleefde
wijbeleefden
julliebeleefden
zijbeleefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beleefd
jijhad beleefd
hijhad beleefd
wijhadden beleefd
julliehadden beleefd
zijhadden beleefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beleven
jijzult beleven
hijzal beleven
wijzullen beleven
julliezullen beleven
zijzullen beleven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beleefd hebben
jijzult beleefd hebben
hijzal beleefd hebben
wijzullen beleefd hebben
julliezullen beleefd hebben
zijzullen beleefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beleven
jijzou beleven
hijzou beleven
wijzouden beleven
julliezouden beleven
zijzouden beleven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beleefd hebben
jijzou beleefd hebben
hijzou beleefd hebben
wijzouden beleefd hebben
julliezouden beleefd hebben
zijzouden beleefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeleef

Verbs conjugated like 'beleven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Translations

  • experience, to observe or undergo
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ervaren
    meemaken, ondervinden

    Sample Sentences

    • Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst naar evenredigheid; [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch beleven. Equivalent to be- + leven (“to live”).

    Additional Information