beieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beierend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeier
jijbeiert
hijbeiert
wijbeieren
julliebeieren
zijbeieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeierd
jijhebt gebeierd
hijheeft gebeierd
wijhebben gebeierd
julliehebben gebeierd
zijhebben gebeierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeierde
jijbeierde
hijbeierde
wijbeierden
julliebeierden
zijbeierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeierd
jijhad gebeierd
hijhad gebeierd
wijhadden gebeierd
julliehadden gebeierd
zijhadden gebeierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beieren
jijzult beieren
hijzal beieren
wijzullen beieren
julliezullen beieren
zijzullen beieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeierd hebben
jijzult gebeierd hebben
hijzal gebeierd hebben
wijzullen gebeierd hebben
julliezullen gebeierd hebben
zijzullen gebeierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beieren
jijzou beieren
hijzou beieren
wijzouden beieren
julliezouden beieren
zijzouden beieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeierd hebben
jijzou gebeierd hebben
hijzou gebeierd hebben
wijzouden gebeierd hebben
julliezouden gebeierd hebben
zijzouden gebeierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeier

Translations

  • ring, (tr.) to make something produce a resonant sound
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch beieren.

    Additional Information