afsloven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afsloven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afsloven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afslovend
Past participle - Verleden deelwoord: afgesloofd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksloof af
jijslooft af
hijslooft af
wijsloven af
julliesloven af
zijsloven af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgesloofd
jijhebt afgesloofd
hijheeft afgesloofd
wijhebben afgesloofd
julliehebben afgesloofd
zijhebben afgesloofd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksloofde af
jijsloofde af
hijsloofde af
wijsloofden af
julliesloofden af
zijsloofden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgesloofd
jijhad afgesloofd
hijhad afgesloofd
wijhadden afgesloofd
julliehadden afgesloofd
zijhadden afgesloofd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afsloven
jijzult afsloven
hijzal afsloven
wijzullen afsloven
julliezullen afsloven
zijzullen afsloven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgesloofd hebben
jijzult afgesloofd hebben
hijzal afgesloofd hebben
wijzullen afgesloofd hebben
julliezullen afgesloofd hebben
zijzullen afgesloofd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afsloven
jijzou afsloven
hijzou afsloven
wijzouden afsloven
julliezouden afsloven
zijzouden afsloven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgesloofd hebben
jijzou afgesloofd hebben
hijzou afgesloofd hebben
wijzouden afgesloofd hebben
julliezouden afgesloofd hebben
zijzouden afgesloofd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsloof af

Verbs conjugated like 'afsloven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information