beleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belerend
Past participle - Verleden deelwoord: beleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeleer
jijbeleert
hijbeleert
wijbeleren
julliebeleren
zijbeleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beleerd
jijhebt beleerd
hijheeft beleerd
wijhebben beleerd
julliehebben beleerd
zijhebben beleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeleerde
jijbeleerde
hijbeleerde
wijbeleerden
julliebeleerden
zijbeleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beleerd
jijhad beleerd
hijhad beleerd
wijhadden beleerd
julliehadden beleerd
zijhadden beleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beleren
jijzult beleren
hijzal beleren
wijzullen beleren
julliezullen beleren
zijzullen beleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beleerd hebben
jijzult beleerd hebben
hijzal beleerd hebben
wijzullen beleerd hebben
julliezullen beleerd hebben
zijzullen beleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beleren
jijzou beleren
hijzou beleren
wijzouden beleren
julliezouden beleren
zijzouden beleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beleerd hebben
jijzou beleerd hebben
hijzou beleerd hebben
wijzouden beleerd hebben
julliezouden beleerd hebben
zijzouden beleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • De leraar besloot de studenten streng te beleren over hun slordige werk. (The teacher decided to reprimand the students sternly for their sloppy work.)
  • Hij heeft de neiging om anderen te beleren over hun fouten, wat soms als betuttelend wordt ervaren. (He has a tendency to criticize others for their mistakes, which is sometimes perceived as pedantic.)
  • De oudere collega houdt ervan om zijn jongere collega's te beleren over de juiste werkwijze, zelfs als ze het al goed doen. (The older colleague enjoys lecturing his younger colleagues on the correct way of doing things, even when they are already doing it well.)

Etymology

From be- + leren. Perhaps borrowed from German belehren, which is more common. See: German, old spelling 'belehren'.

Additional Information