meemaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meemaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meemaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meemakend
Past participle - Verleden deelwoord: meegemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak mee
jijmaakt mee
hijmaakt mee
wijmaken mee
julliemaken mee
zijmaken mee

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb meegemaakt
jijhebt meegemaakt
hijheeft meegemaakt
wijhebben meegemaakt
julliehebben meegemaakt
zijhebben meegemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte mee
jijmaakte mee
hijmaakte mee
wijmaakten mee
julliemaakten mee
zijmaakten mee

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad meegemaakt
jijhad meegemaakt
hijhad meegemaakt
wijhadden meegemaakt
julliehadden meegemaakt
zijhadden meegemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meemaken
jijzult meemaken
hijzal meemaken
wijzullen meemaken
julliezullen meemaken
zijzullen meemaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal meegemaakt hebben
jijzult meegemaakt hebben
hijzal meegemaakt hebben
wijzullen meegemaakt hebben
julliezullen meegemaakt hebben
zijzullen meegemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meemaken
jijzou meemaken
hijzou meemaken
wijzouden meemaken
julliezouden meemaken
zijzouden meemaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou meegemaakt hebben
jijzou meegemaakt hebben
hijzou meegemaakt hebben
wijzouden meegemaakt hebben
julliezouden meegemaakt hebben
zijzouden meegemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak mee

Translations

  • experience, to observe or undergo
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From mee (“with”) + maken (“to make”).

    Additional Information