nazenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nazenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nazenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nazendend
Past participle - Verleden deelwoord: nagezonden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzend na
jijzendt na
hijzendt na
wijzenden na
julliezenden na
zijzenden na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nagezonden
jijhebt nagezonden
hijheeft nagezonden
wijhebben nagezonden
julliehebben nagezonden
zijhebben nagezonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzond na
jijzond na
hijzond na
wijzonden na
julliezonden na
zijzonden na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nagezonden
jijhad nagezonden
hijhad nagezonden
wijhadden nagezonden
julliehadden nagezonden
zijhadden nagezonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nazenden
jijzult nazenden
hijzal nazenden
wijzullen nazenden
julliezullen nazenden
zijzullen nazenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagezonden hebben
jijzult nagezonden hebben
hijzal nagezonden hebben
wijzullen nagezonden hebben
julliezullen nagezonden hebben
zijzullen nagezonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nazenden
jijzou nazenden
hijzou nazenden
wijzouden nazenden
julliezouden nazenden
zijzouden nazenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagezonden hebben
jijzou nagezonden hebben
hijzou nagezonden hebben
wijzouden nagezonden hebben
julliezouden nagezonden hebben
zijzouden nagezonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzend na

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information