nazetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nazetten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nazetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nazettend
Past participle - Verleden deelwoord: nagezet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzet na
jijzet na
hijzet na
wijzetten na
julliezetten na
zijzetten na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nagezet
jijhebt nagezet
hijheeft nagezet
wijhebben nagezet
julliehebben nagezet
zijhebben nagezet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzette na
jijzette na
hijzette na
wijzetten na
julliezetten na
zijzetten na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nagezet
jijhad nagezet
hijhad nagezet
wijhadden nagezet
julliehadden nagezet
zijhadden nagezet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nazetten
jijzult nazetten
hijzal nazetten
wijzullen nazetten
julliezullen nazetten
zijzullen nazetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagezet hebben
jijzult nagezet hebben
hijzal nagezet hebben
wijzullen nagezet hebben
julliezullen nagezet hebben
zijzullen nagezet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nazetten
jijzou nazetten
hijzou nazetten
wijzouden nazetten
julliezouden nazetten
zijzouden nazetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagezet hebben
jijzou nagezet hebben
hijzou nagezet hebben
wijzouden nagezet hebben
julliezouden nagezet hebben
zijzouden nagezet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzet na

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch nasetten. Equivalent to na + zetten.

Additional Information