bekoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bekoelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bekoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bekoelend
Past participle - Verleden deelwoord: bekoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbekoel
jijbekoelt
hijbekoelt
wijbekoelen
julliebekoelen
zijbekoelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bekoeld
jijhebt bekoeld
hijheeft bekoeld
wijhebben bekoeld
julliehebben bekoeld
zijhebben bekoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbekoelde
jijbekoelde
hijbekoelde
wijbekoelden
julliebekoelden
zijbekoelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bekoeld
jijhad bekoeld
hijhad bekoeld
wijhadden bekoeld
julliehadden bekoeld
zijhadden bekoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bekoelen
jijzult bekoelen
hijzal bekoelen
wijzullen bekoelen
julliezullen bekoelen
zijzullen bekoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bekoeld hebben
jijzult bekoeld hebben
hijzal bekoeld hebben
wijzullen bekoeld hebben
julliezullen bekoeld hebben
zijzullen bekoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bekoelen
jijzou bekoelen
hijzou bekoelen
wijzouden bekoelen
julliezouden bekoelen
zijzouden bekoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bekoeld hebben
jijzou bekoeld hebben
hijzou bekoeld hebben
wijzouden bekoeld hebben
julliezouden bekoeld hebben
zijzouden bekoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbekoel

Translations

  • cool, to make colder (literally)
  • cool, to become less intense, e.g. less amicable
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch becoelen. Equivalent to be- + koelen (“to cool”).

    Additional Information