Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: uitspreken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitsprekend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgesproken
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | spreek uit |
| jij | spreekt uit |
| hij | spreekt uit |
| wij | spreken uit |
| jullie | spreken uit |
| zij | spreken uit |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb uitgesproken |
| jij | hebt uitgesproken |
| hij | heeft uitgesproken |
| wij | hebben uitgesproken |
| jullie | hebben uitgesproken |
| zij | hebben uitgesproken |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | sprak uit |
| jij | sprak uit |
| hij | sprak uit |
| wij | spraken uit |
| jullie | spraken uit |
| zij | spraken uit |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had uitgesproken |
| jij | had uitgesproken |
| hij | had uitgesproken |
| wij | hadden uitgesproken |
| jullie | hadden uitgesproken |
| zij | hadden uitgesproken |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal uitspreken |
| jij | zult uitspreken |
| hij | zal uitspreken |
| wij | zullen uitspreken |
| jullie | zullen uitspreken |
| zij | zullen uitspreken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal uitgesproken hebben |
| jij | zult uitgesproken hebben |
| hij | zal uitgesproken hebben |
| wij | zullen uitgesproken hebben |
| jullie | zullen uitgesproken hebben |
| zij | zullen uitgesproken hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou uitspreken |
| jij | zou uitspreken |
| hij | zou uitspreken |
| wij | zouden uitspreken |
| jullie | zouden uitspreken |
| zij | zouden uitspreken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou uitgesproken hebben |
| jij | zou uitgesproken hebben |
| hij | zou uitgesproken hebben |
| wij | zouden uitgesproken hebben |
| jullie | zouden uitgesproken hebben |
| zij | zouden uitgesproken hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'uitspreken'
aanbevelen,
aanbreken,
aannemen,
aanspreken,
aansteken,
afbreken,
afnemen,
afspreken,
afsteken,
afstelen,
bespreken,
bestelen,
bevelen,
breken,
deelnemen,
gevangennemen,
innemen,
kwaadspreken,
nemen,
onderbreken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'uitspreken'
uitsteken,
aanspreken,
afspreken,
bespreken,
spreken,
uitsmeren,
uitstralen,
uittrekken,
uitzoeken,
vrijspreken,
Translations
announce, declare by judicial sentence
articulate, to speak clearly
cast, to perform, bring forth a magical spell or enchantment
pronounce, to declare officially
pronounce, to declare authoritatively or as formal opinion
pronounce, to sound out (a word or phrase); to articulate
pronounce, to read aloud
Sample Sentences
-
[...] als het regende en ik niet kon uitgaan, altijd bezigheid genoeg, en onder het werk vermaakte ik mij met tot mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: Koo, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] mijn papegaai te praten en hem te leeren spreken. Spoedig leerde ik hem zijn eigen naam uitspreken: Koo, hetwelk het eerste woord was, dat op het eiland door een anderen mond dan den mijnen uitgesproken werd. Dit was dus geen arbeid, maar eene uitspanning voor mij, gedurende het zware werk dat ik voor mij had. Ik had namelijk lang gepeinsd hoe ik op de eene of andere wijze aarden potten zou kunnen [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From uit + spreken.
Verbs referencing "uitspreken"
English
outspeak.
Additional Information