uitsteken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitsteken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitsteken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitstekend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgestoken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksteek uit
jijsteekt uit
hijsteekt uit
wijsteken uit
julliesteken uit
zijsteken uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgestoken
jijhebt uitgestoken
hijheeft uitgestoken
wijhebben uitgestoken
julliehebben uitgestoken
zijhebben uitgestoken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstak uit
jijstak uit
hijstak uit
wijstaken uit
julliestaken uit
zijstaken uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgestoken
jijhad uitgestoken
hijhad uitgestoken
wijhadden uitgestoken
julliehadden uitgestoken
zijhadden uitgestoken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitsteken
jijzult uitsteken
hijzal uitsteken
wijzullen uitsteken
julliezullen uitsteken
zijzullen uitsteken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgestoken hebben
jijzult uitgestoken hebben
hijzal uitgestoken hebben
wijzullen uitgestoken hebben
julliezullen uitgestoken hebben
zijzullen uitgestoken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitsteken
jijzou uitsteken
hijzou uitsteken
wijzouden uitsteken
julliezouden uitsteken
zijzouden uitsteken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgestoken hebben
jijzou uitgestoken hebben
hijzou uitgestoken hebben
wijzouden uitgestoken hebben
julliezouden uitgestoken hebben
zijzouden uitgestoken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsteek uit

Translations

  • protrude, to extend from
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    uitspringen
    uitstijgen, uittorenen
    uithollen
    uitsnijden

    Sample Sentences

    • [...] en eens of twee malen dachten wij dat het anker te huis kwam, zoodat de schipper besloot het plegtanker te laten vallen, waarop wij met twee ankers vooruit lagen en met de touwen tot aan het einde uitgestoken. Weldra stak er een allervreesselijkste orkaan op, en thans zag ik op de gezigten der matrozen zelve schrik en neêrslagtigheid. (Robinson Crusoe)
    • [...] ik er bij kwam vond ik een vaatje en twee of drie stukken van het wrak, die door den laatsten storm op het strand waren geslagen; en naar het wrak ziende, meende ik, dat het hooger uit het water uitstak dan anders. Ik onderzocht het vaatje, dat op strand lag, en vond dat het een kruidvaatje was, doch dat nat geworden was; het kruid was als een koek ineen gebakken, en zoo hard als steen. Ik rolde [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From uit + steken.

    Additional Information