voorlezen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorlezen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorlezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorlezend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgelezen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklees voor
jijleest voor
hijleest voor
wijlezen voor
jullielezen voor
zijlezen voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgelezen
jijhebt voorgelezen
hijheeft voorgelezen
wijhebben voorgelezen
julliehebben voorgelezen
zijhebben voorgelezen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklas voor
jijlas voor
hijlas voor
wijlazen voor
jullielazen voor
zijlazen voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgelezen
jijhad voorgelezen
hijhad voorgelezen
wijhadden voorgelezen
julliehadden voorgelezen
zijhadden voorgelezen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorlezen
jijzult voorlezen
hijzal voorlezen
wijzullen voorlezen
julliezullen voorlezen
zijzullen voorlezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgelezen hebben
jijzult voorgelezen hebben
hijzal voorgelezen hebben
wijzullen voorgelezen hebben
julliezullen voorgelezen hebben
zijzullen voorgelezen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorlezen
jijzou voorlezen
hijzou voorlezen
wijzouden voorlezen
julliezouden voorlezen
zijzouden voorlezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgelezen hebben
jijzou voorgelezen hebben
hijzou voorgelezen hebben
wijzouden voorgelezen hebben
julliezouden voorgelezen hebben
zijzouden voorgelezen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlees voor

Verbs conjugated like 'voorlezen'

genezen, lezen, voorlezen,

Translations

  • read, speak aloud words or other information that is written
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aflezen
    afzien, lezen, oplezen, uitlezen
    lezen
    voordragen
    uitspreken
    bekendmaken

    Sample Sentences

    • De leraar besloot een verhaal aan de klas voor te lezen. (The teacher decided to read aloud a story to the class.)
    • Elke avond leest ze haar kinderen een bedtijdverhaaltje voor voordat ze gaan slapen. (Every night, she reads her children a bedtime story aloud before they go to sleep.)
    • Tijdens het evenement zal de schrijver een fragment uit zijn nieuwste boek voorlezen aan het publiek. (During the event, the writer will read aloud a passage from his latest book to the audience.)

    Etymology

    From voor + lezen.

    Additional Information