belijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of belijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: belijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: belijdend
Past participle - Verleden deelwoord: beleden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbelijd
jijbelijdt
hijbelijdt
wijbelijden
julliebelijden
zijbelijden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beleden
jijhebt beleden
hijheeft beleden
wijhebben beleden
julliehebben beleden
zijhebben beleden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeleed
jijbeleed
hijbeleed
wijbeleden
julliebeleden
zijbeleden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beleden
jijhad beleden
hijhad beleden
wijhadden beleden
julliehadden beleden
zijhadden beleden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal belijden
jijzult belijden
hijzal belijden
wijzullen belijden
julliezullen belijden
zijzullen belijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beleden hebben
jijzult beleden hebben
hijzal beleden hebben
wijzullen beleden hebben
julliezullen beleden hebben
zijzullen beleden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou belijden
jijzou belijden
hijzou belijden
wijzouden belijden
julliezouden belijden
zijzouden belijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beleden hebben
jijzou beleden hebben
hijzou beleden hebben
wijzouden beleden hebben
julliezouden beleden hebben
zijzouden beleden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbelijd

Translations

  • confess, to acknowledge faith in
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bekennen
    opbiechten
    getuigen
    prediken, uitdragen, verkondigen

    Sample Sentences

    • [...] ik driehonderd vijfenzestig dagen aan land was geweest. Ik beschouwde dezen dag als een feestdag, en bragt dien door in godsdienstige overdenkingen. Ik wierp mij met de opregtste nederigheid neder, beleed mijne zonden aan God, en erkende de regtvaardigheid zijner oordeelen jegens mij, en smeekte hem om genade door Jezus Christus; en na den geheelen dag tot na den ondergang der zon gevast te hebben, [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch beliden. A reanalysis of belien, a weak verb, based on its past tense belide. By surface analysis, be- + lijden.

    Additional Information