Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afsnijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afsnijdend
Past participle - Verleden deelwoord: afgesneden
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | snijd af; snij af |
| jij | snijdt af |
| hij | snijdt af |
| wij | snijden af |
| jullie | snijden af |
| zij | snijden af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgesneden |
| jij | hebt afgesneden |
| hij | heeft afgesneden |
| wij | hebben afgesneden |
| jullie | hebben afgesneden |
| zij | hebben afgesneden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | sneed af |
| jij | sneed af |
| hij | sneed af |
| wij | sneden af |
| jullie | sneden af |
| zij | sneden af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgesneden |
| jij | had afgesneden |
| hij | had afgesneden |
| wij | hadden afgesneden |
| jullie | hadden afgesneden |
| zij | hadden afgesneden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afsnijden |
| jij | zult afsnijden |
| hij | zal afsnijden |
| wij | zullen afsnijden |
| jullie | zullen afsnijden |
| zij | zullen afsnijden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgesneden hebben |
| jij | zult afgesneden hebben |
| hij | zal afgesneden hebben |
| wij | zullen afgesneden hebben |
| jullie | zullen afgesneden hebben |
| zij | zullen afgesneden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afsnijden |
| jij | zou afsnijden |
| hij | zou afsnijden |
| wij | zouden afsnijden |
| jullie | zouden afsnijden |
| zij | zouden afsnijden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgesneden hebben |
| jij | zou afgesneden hebben |
| hij | zou afgesneden hebben |
| wij | zouden afgesneden hebben |
| jullie | zouden afgesneden hebben |
| zij | zouden afgesneden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afsnijden'
aaneenrijgen,
aanglijden,
aankijken,
aanrijden,
aanrijgen,
aanschrijden,
aansnijden,
aanstijgen,
aanstrijken,
achternarijden,
achteromkijken,
achteruitrijden,
afkijken,
afkrijgen,
afrijden,
afrijgen,
afsnijden,
afstijgen,
afwijken,
begrijpen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afsnijden'
aansnijden,
afrijden,
afspieden,
afstijgen,
snijden,
aanrijden,
afbinden,
afdrijven,
afijlen,
afkijken,
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- couperen
- snoeien
Sample Sentences
-
[...] ben ook uitgekipt uit al het scheepsvolk, om van den dood gespaard te worden, en Hij, die mij wonderbaarlijk van den dood bevrijdde, kan mij ook uit dezen toestand redden. Ik ben van het menschdom afgesneden als een kluizenaar, als een balling uit de maatschappij. Maar ik ben niet verhongerd, en verga niet op eene onvruchtbare plaats, die geen voedsel oplevert. Ik heb geene kleederen, om mij te [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] er in verscheidene maanden niet geweest was, alles juist zoo als ik het verlaten had. De dubbele heining was niet alleen stevig en gaaf, maar de staken, die ik van eenige boomen daar in den omtrek afgesneden had, waren allen met lange takken uitgeschoten, even als de wilgen, het eerste jaar nadat zij geknot zijn. Ik kon niet zeggen welke boom het was, waarvan deze staken gekapt waren; maar het was mij [...]
(Robinson Crusoe)
-
Den volgenden dag ging ik dus naar mijne buitenplaats, en na eenig rijs afgesneden te hebben, vond ik het zoo lenig als ik wenschen kon; dus ging ik er den volgenden dag met eene bijl naar toe en kapte eene groote menigte. Deze zette ik binnen mijne heining overeind om te droogen, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch afsniden. Equivalent to af + snijden.
Verbs referencing "afsnijden"
German, old spelling
abschneiden.
Additional Information