aankijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aankijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aankijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aankijkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangekeken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkijk aan
jijkijkt aan
hijkijkt aan
wijkijken aan
julliekijken aan
zijkijken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangekeken
jijhebt aangekeken
hijheeft aangekeken
wijhebben aangekeken
julliehebben aangekeken
zijhebben aangekeken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeek aan
jijkeek aan
hijkeek aan
wijkeken aan
julliekeken aan
zijkeken aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangekeken
jijhad aangekeken
hijhad aangekeken
wijhadden aangekeken
julliehadden aangekeken
zijhadden aangekeken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aankijken
jijzult aankijken
hijzal aankijken
wijzullen aankijken
julliezullen aankijken
zijzullen aankijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangekeken hebben
jijzult aangekeken hebben
hijzal aangekeken hebben
wijzullen aangekeken hebben
julliezullen aangekeken hebben
zijzullen aangekeken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aankijken
jijzou aankijken
hijzou aankijken
wijzouden aankijken
julliezouden aankijken
zijzouden aankijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangekeken hebben
jijzou aangekeken hebben
hijzou aangekeken hebben
wijzouden aangekeken hebben
julliezouden aangekeken hebben
zijzouden aangekeken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkijk aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aanblikken
aanzien
afwachten
overdenken

Antonyms

afwachten
anticiperen, verwachten, voorkomen, vooruitlopen

Sample Sentences

Etymology

From aan + kijken.

Verbs referencing "aankijken"

Frisian, Saterlandic ankiekje.

Additional Information