aanstijgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanstijgen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanstijgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstijgend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestegen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstijg aan
jijstijgt aan
hijstijgt aan
wijstijgen aan
julliestijgen aan
zijstijgen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangestegen
jijhebt aangestegen
hijheeft aangestegen
wijhebben aangestegen
julliehebben aangestegen
zijhebben aangestegen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksteeg aan
jijsteeg aan
hijsteeg aan
wijstegen aan
julliestegen aan
zijstegen aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangestegen
jijhad aangestegen
hijhad aangestegen
wijhadden aangestegen
julliehadden aangestegen
zijhadden aangestegen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanstijgen
jijzult aanstijgen
hijzal aanstijgen
wijzullen aanstijgen
julliezullen aanstijgen
zijzullen aanstijgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangestegen hebben
jijzult aangestegen hebben
hijzal aangestegen hebben
wijzullen aangestegen hebben
julliezullen aangestegen hebben
zijzullen aangestegen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanstijgen
jijzou aanstijgen
hijzou aanstijgen
wijzouden aanstijgen
julliezouden aanstijgen
zijzouden aanstijgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangestegen hebben
jijzou aangestegen hebben
hijzou aangestegen hebben
wijzouden aangestegen hebben
julliezouden aangestegen hebben
zijzouden aangestegen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstijg aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information